De lipstick van de rector
Waarom vrouwelijke functietitels, ondanks het streven naar meer gendergelijkheid, soms verdwijnen
Caroline Pauwels was rector van de Vrije Universiteit Brussel. We hadden haar ook rectrix kunnen noemen: taalhistorisch klopt dat perfect. Rectrix is de vrouwelijke vorm van rector. Toch gebruikt bijna niemand, zelfs niet op internationale vrouwendag (dat was gisteren) dat woord. Volgens VUB-taalkundige professor Rik Vosters zegt dat veel over hoe gender en taal evolueren.
Veel functietitels die we vandaag als neutraal ervaren, zijn historisch gezien namelijk mannelijk. Rector, professor of onderzoeker waren oorspronkelijk woorden voor functies die vrijwel uitsluitend door mannen werden bekleed. Vandaag worden ze vaak als genderneutraal gebruikt, maar dat betekent niet dat ze geen mannelijke associaties meer oproepen. “Als ik het tegen studenten over ‘de lipstick van de rector’ heb, kijken ze steeds een beetje verrast op”, zegt Vosters. “Ook al lijkt rector een genderneutrale term, veel mensen denken er nog altijd spontaan een man bij.”
De trend is vandaag niet dat vrouwelijke vormen, als gevolg van een streven naar meer genderevenwicht, vaker gebruikt worden, maar veeleer dat ze verdwijnen. In veel gevallen maken ze plaats voor een zogenaamd genderoverkoepelende titel. In de geneeskunde bijvoorbeeld werd het woord geneesheer pas in 2013 officieel vervangen door arts, ondanks het toen al groeiende aantal vrouwelijke artsen. Opvallend is dat vrouwelijke functietitels soms sneller verdwijnen dan mannelijke. In beroepen waar traditioneel veel vrouwen werken, werd al vroeg gezocht naar neutralere termen. Leerkracht en verpleegkundige zijn vandaag vanzelfsprekend, terwijl woorden als juf of verpleegster stilaan een andere bijklank krijgen. “Er was nood aan een oplossing voor mannen die zich ongemakkelijk voelden als verpleegster”, zegt Vosters. “Dat was sneller geregeld dan die geneesheren.”
Sommige vrouwelijke titels krijgen bovendien een specifieke connotatie. Directrice bijvoorbeeld wordt tegenwoordig sneller geassocieerd met een lagere school dan met het hoofd van een grote organisatie. Daardoor kiezen veel vrouwelijke managers liever voor de titel directeur. In het dagelijks taalgebruik spelen zulke keuzes een rol. Vosters begint een mail meestal met “beste studenten”, maar in groepen met alleen vrouwen gebruikt hij soms ook studentes. Andere vormen klinken voor hem dan weer verouderd. “Studentinnen, dat klinkt me te archaïsch”, aldus de prof.
Volgens Vosters moeten we ons bewust blijven van de beperkingen van taal. Inclusieve formuleringen kunnen een verschil maken, bijvoorbeeld in vacatures, waar vrouwen zich vaker aangesproken voelen wanneer ook vrouwelijke functietitels gebruikt worden. Taal alleen lost de ongelijkheid echter niet op: “Structurele genderongelijkheid los je niet op met taal. Maar taal kan wel een aanleiding zijn om na te denken over die ongelijkheid.”
Waar vroeger vooral werd gekeken naar mannelijke en vrouwelijke vormen, groeit vandaag de aandacht voor genderneutrale termen, een geste naar mensen die zich buiten die tweedeling positioneren. Voor Vosters is dat een logische evolutie: taal weerspiegelt nu eenmaal de samenleving en verandert mee wanneer die samenleving verandert.
Meer info:
Rik Vosters: +32 497 53 18 40